Publicatiedatum

31-01-2021

In de loop van de maand december 2020 hebben 434 burgers en/of ondernemingen de Belgische Staat gedagvaard in kort geding om de Belgische Staat te verbieden het merendeel van de corona-maatregelen aan hen op te leggen.
Zo eisten zij dat de Belgische Staat hen onder meer niet meer zou mogen verbieden om :
- zich op de openbare weg en in de openbare ruimte te bevinden tussen bepaalde uren,
- winkels, horecazaken, ondernemingen en verenigingen die diensten aanbieden aan consumenten of inrichtingen te openen of te bezoeken,
- contactberoepen uit te oefenen en gebruik te maken van hun diensten,
- minder dan 1,5 meter afstand te houden,
- fysiek contact tussen hen en andere mensen te hebben,
- met meer dan een bepaald aantal personen te winkelen,
- alcohol te verkopen en aan te kopen,
- markten te houden en te bezoeken,
- sportwedstrijden te houden met publiek,
- betogingen te houden,
- meer dan een bepaald aantal bezoekers te ontvangen.
De rechter in kort geding besliste niet in te gaan op het verzoek van de eisende partijen om reden dat door de afschaffing van deze maatregelen te vragen voor hen alleen, zij in werkelijkheid proberen de afschaffing van de maatregelen in hun geheel te bekomen, hetwelk enkel toekomt aan de Raad van State en dus niet aan de rechter in kort geding.
Voorts argumenteerde de rechter dat als de maatregelen enkel voor de eisende partijen zouden afgeschaft worden en niet voor de burgers die de afschaffing niet vragen, dit discriminerend zou zijn en de Belgische Staat de plicht heeft om het recht op leven van die andere burgers te beschermen.
Tenslotte werd nog verwezen naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat toelaat om de rechten die eisende partijen geschonden achten, gedeeltelijk in te perken in het belang van de volksgezondheid, de openbare orde en het recht op leven en er niet wordt aangetoond dat de maatregelen niet doelmatig zouden zijn.