Publicatiedatum

29-04-2022

De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen deed op 29 april 2022 uitspraak in een zaak m.b.t. feiten van aanranding van de eerbaarheid en inbreuken op de zgn. Pestwet.

Beklaagde werd gedagvaard voor 2 tenlasteleggingen:

  • A/ daden van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, gebruik makend van zijn gezagspositie ten aanzien van 12 werknemers, meermaals, gepleegd in de periode tussen 30 juni 2002 en 13 september 2018;
  • B/ aanranding van de eerbaarheid, misbruik makend van zijn gezagspositie t.a.v. 1 persoon, meermaals, gepleegd tussen 25 mei 2017 en 28 april 2018;

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de aan beklaagde ten laste gelegde feiten rekening gehouden met de specifieke context waarbinnen deze feiten zich zouden hebben afgespeeld. Bij de beoordeling werd daarom rekening gehouden met een zekere artistieke vrijheid die nodig en zelfs noodzakelijk is om de beoogde prestaties te bereiken. Anderzijds heeft de rechtbank eveneens rekening gehouden met het gegeven dat deze artistieke vrijheid beperkt wordt door wettelijke bepalingen ter bescherming van de fysieke en psychische integriteit van de werknemers.

De tenlasteleggingen ten aanzien van 5 werknemers werden  vervallen verklaard ingevolge verjaring.

Voor de tenlastelegging ten aanzien van 1 werknemer werd beklaagde vrijgesproken. 

De tenlasteleggingen ten aanzien van de overige 6 werknemers achtte de rechtbank bewezen. De rechtbank oordeelde dat beklaagde hierbij handelde met eenzelfde strafbaar opzet, waarbij hij telkens jonge danseressen van zijn dansgezelschap persoonlijk benaderde en ten aanzien van hen ongewenste seksueel gerelateerde handelingen stelde.

Beklaagde creëerde door zijn handelingen ook een vijandige en vernederende werkomgeving waarbinnen zijn dansers dienden te functioneren.

De rechtbank is van oordeel dat beklaagde, in het kader van zijn artistiek leiderschap, ook op een andere wijze richtlijnen had kunnen geven maar dit niet deed terwijl hij kon weten dat hij hierdoor de waardigheid van deze personen zou aantasten en ook dat hij opmerkingen formuleerden die beledigend en kwetsend overkwamen.

Beklaagde organiseerde ook (privé)fotosessies met bepaalde vrouwelijke dansers, waarbij hij wist dat deze de waardigheid van deze vrouwen zou aantasten. Een danser diende bepaalde poses aan te nemen die zij, en de aanwezige getuige, als vernederend ervaarden. Uit niets blijkt dat deze poses enige artistieke waarde zouden hebben. Het loutere feit dat beklaagde als gevierd theaterregisseur en werkgever, één van zijn jonge danseressen, waarover hij onmiskenbaar een machtspositie uitoefent, uitnodigde voor een ‘privéfotoshoot’ waarin naaktfoto’s werden gemaakt en waarbij beklaagde zijn slachtoffer op intieme plaatsen aanraakte, impliceert verboden seksueel grensoverschrijdend gedrag  en een inbreuk op de bepalingen van art. 32bis van de Welzijnswet.

Beklaagde werd ook veroordeeld voor de aanranding van de eerbaarheid, waarbij hij misbruik maakte van zijn gezagspositie t.a.v. zijn slachtoffer. Beklaagde benaderde het slachtoffer seksueel en gaf haar zelfs een tongzoen. De rechtbank is van oordeel dat dit een daad van aanranding van de eerbaarheid is nu de tongzoen ongewenst was en het slachtoffer deze tongzoen geenszins kon voorzien.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de handelingen die beklaagde stelde, het herhalend karakter van deze handelingen en de impact die zijn handelingen hebben gehad op zijn slachtoffers, doch ook met de persoon van beklaagde zoals deze is gebleken uit de pleidooien ter terechtzitting en zijn blanco strafrechtelijk verleden.

De rechtbank veroordeelde beklaagde voor de bewezenverklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan de tenuitvoerlegging voor een termijn van 5 jaar wordt uitgesteld. Ook werd beklaagde voor een termijn van 5 jaar uit zijn rechten ontzet.

Op burgerlijk gebied werd beklaagde veroordeeld tot de betaling van een provisionele schadevergoeding van 1 euro aan de burgerlijke partijen sub 7 t/m 11 en het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen.