Datum van de wet

31-07-2020

Publicatiedatum

06-08-2020

FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer heeft aangenomen en Wij bekrachtingen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 2. Artikel 508/13, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en vervangen bij de wet van 6 juli 2016, wordt opgeheven.
Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 508/13/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 508/13/1. § 1. Behoudens internationale of nationale bepalingen op grond waarvan voor sommige personen wordt voorzien in de toekenning zonder voorwaarden van volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand beschikken de hierna vermelde personen over ontoereikende bestaansmiddelen als bedoeld in artikel 508/13, eerste lid, en genieten zij de volledige kosteloosheid van de juridische bijstand :
1° de alleenstaande persoon die, aan de hand van om het even welk document dat te beoordelen is door het bureau voor juridische bijstand bewijst dat zijn maandelijks netto-inkomen lager dan 1 226 euro is;
2° de alleenstaande persoon met iemand ten laste of de samenwonende met zijn echtgenoot of met iedere andere persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, indien hij bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat het maandelijks netto-inkomen van het gezin lager is dan 1 517 euro.
Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met een aftrek van 20 % van het leefloon per persoon ten laste.
Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast, alsook met elk ander bestaansmiddel, met name beroepsinkomsten, inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerende goederen en diverse inkomsten, kapitalen, voordelen, alsmede tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, behoudens de kinderbijslag en de enige en eigen woning.
Onder de samenwoning bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan het feit dat twee of meer personen samen onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen.
Wanneer de belangen van de persoon bedoeld in het eerste lid, 2°, strijdig zijn met die van zijn echtgenoot of met die van een persoon met wie hij samenwoont, wordt met het inkomen van deze laatste geen rekening gehouden.
§ 2. Behoudens tegenbewijs wordt beschouwd als een persoon wiens bestaansmiddelen onvoldoende zijn in de zin van artikel 508/13, eerste lid :
1° degene die bedragen ontvangt die worden uitgekeerd als leefloon of als maatschappelijke bijstand, minstens op overlegging van de geldige beslissing van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
2° degene die bedragen ontvangt die worden uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden, minstens op overlegging van het jaarlijks attest van de Rijksdienst voor Pensioenen;
3° degene die een inkomensvervangende tegemoetkoming voor gehandicapten ontvangt, minstens op overlegging van de beslissing van de minister tot wiens bevoegdheid de sociale zekerheid behoort of van de door hem afgevaardigde ambtenaar;
4° de persoon die een kind ten laste heeft dat gewaarborgde kinderbijslag ontvangt, minstens op overlegging van het attest van het gewestelijk organisme voor de kinderbijslag;
5° de huurder van een sociale woning die in het Vlaams Gewest en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een huur betaalt die overeenkomt met de helft van de basishuurprijs of die in het Waals Gewest een minimumhuur betaalt, minstens op overlegging van de laatste huurberekeningsfiche;
6° de gedetineerde, op overlegging van bewijsstukken met betrekking tot het statuut van gedetineerde;
7° de beklaagde bedoeld in de artikelen 216quinquies tot 216septies van het Wetboek van Strafvordering;
8° de geesteszieke persoon, wat de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke betreft, op overlegging van bewijsstukken;
9° de vreemdeling, wat de indiening van het verzoek tot machtiging van verblijf betreft, of van een administratief of rechterlijk beroep tegen een beslissing die werd genomen met toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, op overlegging van bewijsstukken;
10° de asielaanvrager of de persoon die een aanvraag indient tot verkrijgen van het statuut van ontheemde, op overlegging van bewijsstukken;
11° de persoon belast met overmatige schulden, op overlegging van een verklaring van hem waaruit blijkt dat de toekenning van de juridische tweedelijnsbijstand wordt aangevraagd met het oog op de inleiding van een procedure van collectieve schuldenregeling.
§ 3. Het bureau voor juridische bijstand kan hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de juridische tweedelijnsbijstand zijn vervuld.
§ 4. Voor de minderjarige geldt volledige kosteloosheid, op voorlegging van zijn identiteitskaart of van enig ander document waaruit zijn staat blijkt.".
Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 508/13/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 508/13/2. De hierna vermelde personen beschikken over ontoereikende bestaansmiddelen zoals bedoeld in artikel 508/13, eerste lid, en kunnen aanspraak maken op de gedeeltelijke kosteloosheid :
1° de alleenstaande persoon die bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat zijn maandelijks netto-inkomen tussen 1 226 euro en 1 517 euro ligt;
2° de alleenstaande persoon met iemand ten laste of de samenwonende met zijn echtgenoot of met iedere andere persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, indien hij bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat het maandelijks netto-inkomen van het gezin tussen 1 517 euro en 1 807 euro ligt.
Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met een aftrek van 20 % van het leefloon per persoon ten laste.
Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast, alsook met elk ander bestaansmiddel, met name beroepsinkomsten, inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerende goederen en diverse inkomsten, kapitalen, voordelen, alsmede tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, behoudens de kinderbijslag en de enige en eigen woning.
Onder de samenwoning bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan het feit dat twee of meer personen samen onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen.
De in het eerste lid, 2°, bedoelde persoon die de juridische bijstand vraagt teneinde zijn belangen te verdedigen, valt onder de toepassing van het eerste lid, 1°, wanneer die belangen strijdig zijn met die van zijn echtgenoot of van de persoon met wie hij samenwoont.
De persoon die de gedeeltelijke kosteloosheid geniet, betaalt aan de advocaat een eigen bijdrage in de kosten van de juridische bijstand per aanstelling door het bureau van juridische bijstand.
Het bedrag van de door de begunstigde van de gedeeltelijk kosteloze tweedelijnsbijstand verschuldigde bijdrage is gelijk aan het verschil tussen zijn inkomsten uit de bestaansmiddelen en de bedragen van de inkomstengrenzen voor de toegang tot de volledig kosteloze juridische bijstand, zonder dat dit bedrag hoger mag liggen dan 125 euro noch lager dan 25 euro. De advocaat voegt het ontvangstbewijs van deze betaling bij het dossier.
Het bureau voor juridische bijstand kan hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de juridische tweedelijnsbijstand zijn vervuld.".
Art. 5. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 508/13/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 508/13/3. Onverminderd de artikelen 508/13/1 en 508/13/2 wordt de kosteloze juridische bijstand geweigerd indien blijkt dat de rechtzoekende beschikt over kapitalen of voordelen, alsook indien uit tekenen en aanwijzingen een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, waaruit kan worden besloten dat hij in de mogelijkheid is zelf zijn advocaat te betalen.".
Art. 6. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 508/13/4 ingevoegd, luidende :
"Art. 508/13/4. § 1. De bedragen vastgesteld in artikel 508/13/1, eerste lid, 1° en 2°, en in artikel 508/13/2, eerste lid, 1° en 2°, worden op 1 september 2021, 2022 en 2023 telkens verhoogd met een vast bedrag van 100 euro.
§ 2. Vanaf 1 september 2024, worden de in artikel 508/13/1, eerste lid, 1° en 2°, en in artikel 508/13/2, eerste lid, 1° en 2°, bepaalde bedragen telkens op 1 september aangepast, rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand juli van elk jaar, daartoe berekend en benoemd zoals geregeld in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen.
Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand juli 2023.
Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer leidt tot een verhoging of een verlaging van de bedragen overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
Het resultaat wordt tot op een euro en naar boven afgerond.
§ 3. De nieuwe bedragen worden jaarlijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking op 1 september van het jaar van de aanpassing.".
Art. 7. In artikel 508/14 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en gewijzigd bij de wet van 15 juni 2006, worden in het derde lid de woorden "in artikel 508/13 bedoelde bewijsstukken" vervangen door de woorden "in de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2, eerste en achtste lid, bedoelde bewijsstukken" en worden in het vierde lid de woorden "de bewijsstukken bedoeld in artikel 508/13" vervangen door de woorden "de bewijsstukken bedoeld in de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2, eerste en achtste lid.".
Art. 8. In artikel 508/19 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden " § 1, tweede en derde lid, en" opgeheven;
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " § 1, tweede en derde lid, en" opgeheven;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden " § 1, tweede en derde lid, en" opgeheven.
Art. 9. In artikel 508/19ter, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 juli 2016, worden de woorden " § 1, tweede en derde lid, en" opgeheven.
Art. 10. In artikel 667 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 2016, wordt, na de eerste zin, de volgende zin ingevoegd :
"Om te bepalen dat personen over ontoereikende bestaansmiddelen beschikken, zijn de artikelen 508/13/1 en 508/13/2 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de woorden "het bureau voor juridische bijstand" moeten worden gelezen, naargelang van het geval, als "het bureau voor rechtsbijstand" of "de rechter".".
Art. 11. In artikel 676 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 november 1998, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Het bureau voor rechtsbijstand of de rechter, kan, hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de rechtsbijstand zijn vervuld.".
Art. 12. De wet van 23 november 1998 betreffende de juridische bijstand wordt opgeheven.
HOOFDSTUK 3. - Opheffingsbepaling
Art. 13. Het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand wordt opgeheven.
HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtreding
Art. 14. Deze wet treedt in werking op 1 september 2020.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 31 juli 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
Met `s Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers
(www.dekamer.be)
Stukken. - Doc 55 0175/ (S.E. 2019)
Integraal Verslag : (16/07/2020)