Persbericht hof van beroep Antwerpen: zwaardere straffen voor leiders van handel in precursoren via de website 'Funcaps'

01/04/2026

Het hof van beroep Antwerpen, C5-kamer heeft op 1 april 2026 arrest gewezen in een strafzaak betreffende de illegale invoer, uitvoer en het vervoer van chemische precursoren (“research chemicals”) vanuit Nederland naar België via de website “Funcaps”. Het betreft een Nederlandse vennootschap en twee Nederlandse fysieke personen.

De beklaagden exploiteerden via een Nederlandse vennootschap een grootschalige handel in chemische precursoren waarvoor in België een ministeriële vergunning vereist is. Deze handel liep van september 2019 tot december 2022. Naar eigen verklaring van de beklaagden werd een maandelijkse omzet van circa één miljoen euro gerealiseerd, waarvan 20% tot 40% afkomstig was van de Belgische markt. De feiten werden gepleegd in het kader van een georganiseerde activiteit waarbij de fysieke beklaagden als leidende personen optraden.

In de periode van 30 juni 2021 tot 2 augustus 2021 viel bovendien een dodelijk slachtoffer ten gevolge van het gebruik van één van de door de beklaagden geleverde producten. De eerste rechter had de beklaagden veroordeeld voor de invoer met de dood tot gevolg. Het hof volgt daarin de eerste rechter, acht dit bewezen en verzwaart de straffen.

Het hof acht de bewezen feiten ernstig, beklaagden hebben gedurende jaren “designer drugs” ingevoerd in België, met desastreuse gevolgen. Beklaagden hebben wetens en willens de ogen gesloten voor deze gevolgen en hebben deze producten zonder enige schroom, vaak in grote hoeveelheden, bezorgd aan Belgische klanten. Beklaagden kunnen zich niet verschuilen achter de legale status van deze psychoactieve stoffen in Nederland. Beklaagden vonden het klaarblijkelijk niet nodig om te onderzoeken of te laten onderzoeken of de verkoop van psychoactieve stoffen in België al dan niet toegelaten was. Deze houding van beklaagden werd duidelijk ingegeven door hun drang om hun zeer lucratieve handel in designer drugs te kunnen verderzetten.

Dit is des te meer laakbaar nu beklaagden ook in Nederland bewust handelden binnen de grijze zone van wat volgens de Opiumwet in Nederland toegelaten was. Zoals zij zelf aangaven tijdens het strafonderzoek moesten zij nauwlettend in de gaten houden welke producten verboden werden in Nederland om zo hun assortiment aan te passen waarbij ze dan nog naar eigen zeggen een uitverkoop hielden als ze wisten dat een product illegaal zou worden en op de lijst van verboden middelen zou komen.

Beklaagden kunnen ook niet voorhouden dat de verantwoordelijkheid lag bij de eindconsument en dat ze de producten verkochten als “research chemicals” nu zij enkel aan particulieren verkochten waarbij het duidelijk was dat deze door deze particulieren werden aangekocht omwille van hun effecten die gelijkaardig zijn aan deze van de klassieke verdovende middelen. De website was gericht op de verkoop van deze zogenaamde “research chemicals” om als drugs te gebruiken. De naam van de website waarop de “research chemicals” werden verkocht “funcaps.nl” laat in dit verband ook weinig aan de verbeelding over. Beklaagde J.V.W. gaf bovendien ter zitting toe dat hij het merendeel van de door hen verkochte producten zelf had gebruikt als hij naar een festival ging en dus had gebruikt als “partydrugs”. Dat beklaagden zichzelf susten met het idee dat de verantwoordelijkheid bij de eindconsument lag nu ze de verkochte producten van een label voorzagen met hierop “not for human consumption” is dan ook bijzonder cynisch.

Bij de straftoemeting weegt het hof de ernst en de schaal van de feiten, de lange incriminatieperiode, het dodelijk slachtoffer, de louter financiële drijfveer van de beklaagden en hun jeugdige leeftijd ten tijde van de feiten. Het hof houdt ook rekening met het feit dat de beklaagden een financiële regeling hebben getroffen met de burgerlijke partij en de verzendingen naar België hebben stopgezet zodra zij op de hoogte raakten van het Belgisch opsporingsonderzoek.

Het hof oordeelt uitdrukkelijk dat een mildere bestraffing of het opleggen van een werkstraf, zoals door de eerste rechter beslist, een verkeerd signaal zou zijn naar de beklaagden en naar de samenleving toe.

De vennootschap wordt veroordeeld tot een geldboete van 80.000 euro, ditmaal zonder het uitstel van tenuitvoerlegging dat de eerste rechter had verleend. Elk van de twee fysieke beklaagden wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 18 maanden effectief, en een geldboete van 24.000 euro zonder uitstel. Het hof verleent uitstel van tenuitvoerlegging voor het niet-effectieve gedeelte van de gevangenisstraf voor een termijn van vijf jaar.

Het hof spreekt voorts een verbeurdverklaring uit van in totaal 700.000 euro als illegale vermogensvoordelen bekomen uit de bewezen feiten. Gelet op de beschikbare gegevens was een wiskundig exacte berekening niet mogelijk; het hof bepaalt het bedrag naar redelijkheid en billijkheid op basis van de verklaringen van de beklaagden over de maandelijkse omzet, de in het dossier gevoegde balansen en omzetgegevens van de vennootschap, en de lijst van verkopen aan Belgische rekeninghouders. Het hof benadrukt dat dit een minimale raming betreft. Van de 700.000 euro wordt 600.000 euro verbeurdverklaard ten laste van de vennootschap en 50.000 euro ten laste van elk van de twee fysieke beklaagden. Het zou maatschappelijk totaal onaanvaardbaar zijn indien de beklaagden in het bezit zouden worden gelaten van de door hen ontvangen illegale vermogensvoordelen.