Hof van beroep Gent bevestigt deels veroordeling ex-sportief manager KSV Roeselare – wel vrijspraak voor bepaalde feiten

31/08/2026

Het hof van beroep Gent heeft een voormalig sportief manager van KSV Roeselare veroordeeld voor een aantal feiten van valsheid in geschrifte en oplichting. Voor een aantal andere tenlastegelegde feiten verleende het hof de vrijspraak. Het hof kon niet met zekerheid besluiten dat de beklaagde bij deze feiten zou gehandeld hebben met het door de strafwet vereiste bijzonder opzet wat betreft schriftvervalsing en oplichting.

Feiten

Tussen 7 en 10 september 2020 leggen verschillende personen (waaronder een voetballer, een CEO en twee bestuursleden van voetbalclub KSV Roeselare) klacht neer tegen de beklaagde wegens valsheid in geschrifte en oplichting. De beklaagde zou vanuit de titel van sportief directeur van het zieltogende KSV Roeselare ondanks een transferverbod toch nog contracten met spelers en technische staf hebben afgesloten. Hij zou documenten door iemand anders hebben laten ondertekenen in de naam van de voorzitter van KSV Roeselare, vervalste documenten hebben verspreid, hotelkamers voor spelers hebben geboekt zonder correcte kredietkaartgegevens door te geven en facturen niet hebben betaald. Enkele weken na de arrestatie van de beklaagde ging KSV Roeselare failliet en verdween de club uit het Belgische voetbal.

Tenlasteleggingen en veroordeling beklaagde door correctionele rechtbank van eerste aanleg

De beklaagde moest zich verantwoorden voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk voor valsheid in geschrifte (handels- of bankgeschriften of in private geschriften) en oplichting. Alle feiten vonden plaats tussen juli en september 2020.

De rechtbank veroordeelde de beklaagde tot een gevangenisstraf van vier jaar en een geldboete van 40.000 euro. Hij kreeg ook tien jaar het verbod om bestuursfuncties in rechtspersonen op te nemen, of om op te treden als effectenmakelaar. Aan de burgerlijke partijen moest hij een totale schadevergoeding van 85.543,10 euro en een rechtsplegingvergoeding van 2.197,68 euro betalen.

De beklaagde en het openbaar ministerie gingen tegen dit vonnis in beroep.

Inhoudelijke behandeling door het hof van beroep Gent

Bij de behandeling van het strafdossier en na de zitting kwam het hof van beroep Gent tot onderstaande conclusies.

Voor het hof maakt de beklaagde het aannemelijk dat zijn handelingen en gedrag mede moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van zijn samenwerking met de CEO en bestuursleden van KSV Roeselare. Zo bestond in juli 2020 duidelijk de intentie om de beklaagde aan te stellen als sportief directeur of sportief manager. Het duidelijkste bewijs was een op 20 juli 2020 georganiseerde persconferentie, waarbij de beklaagde ook in die hoedanigheid daadwerkelijk aan het publiek werd voorgesteld. De opdracht van de beklaagde was uitsluitend sportief van aard en had geen betrekking op het financieel of administratief bestuur van de club.

In de loop van de maand augustus 2020 grepen er vervolgens blijkbaar aanvullende contractuele besprekingen plaats met het oog op een concrete samenwerking en het afsluiten van de nodige schriftelijke contracten. Dit resulteerde uiteindelijk op 5 augustus 2020 in de opstelling en ondertekening van een principeovereenkomst tussen de beklaagde en bestuursleden van KSV Roeselare. Deze principeovereenkomst moest wel nog omgezet worden in een definitieve overeenkomst.

Op grond van de verzamelde gegevens en de inhoud van het geloofwaardig verweer van de beklaagde kan het hof niet met zekerheid besluiten dat de beklaagde in de periode juli-augustus 2020 uitsluitend zou gehandeld hebben met het door de strafwet vereiste bijzonder opzet wat betreft de telastleggingen schriftvervalsing en oplichting.

Beoordeling van schuld valsheid in geschrifte en oplichting  

Voor het hof bestaan er voor een aantal feiten onvoldoende overtuigende gegevens of bewijzen om met noodzakelijke zekerheid de schuld van de beklaagde te kunnen vaststellen. Dit geldt onder andere voor enkele operationele activiteiten in het kader van het sportieve beleid (bv: het afsluiten van contracten met enkele spelers). De beklaagde was immers door KSV Roeselare aangesteld als sportief manager, met de opdracht om het sportieve beleid van de club in handen te nemen. 

Gelet op het vermoeden van onschuld in strafrecht bestaat er voor deze feiten redelijke twijfel, welke de beklaagde ten goede komt. Het hof heeft de beklaagde voor deze tenlasteleggingen vrijgesproken en het vonnis van de eerste rechter, voor wat betreft deze feiten, vernietigd.

Het hof bevestigde anderzijds wel de schuld van de beklaagde aan enkele andere tenlasteleggingen. Het gaat hier om feiten waarbij de beklaagde zich – vanaf  augustus 2020 - niet heeft beperkt tot louter ‘operationele activiteiten in het kader van het sportief beleid’. De beklaagde had op dat moment immers nog geen definitieve overeenkomst met de club getekend, waardoor hij niet in haar naam kon optreden als gemandateerd bestuurder of gemachtigd was om met derden mondeling of schriftelijk contracten af te sluiten. De beklaagde bezat eveneens geen volmachten van potentiële sponsors of investeerders, hoewel hij dit naar de club toe liet uitschijnen. In deze gevallen was er dus wel degelijk sprake van een bedrieglijk opzet in hoofde van de beklaagde.

Strafmaat

Het hof van beroep veroordeelde de beklaagde tot een werkstraf van 200 uur en een boete van 400 euro. Als de werkstraf niet wordt uitgevoerd, wordt ze vervangen door een gevangenisstraf van 10 maanden.

Aan de burgerlijke partijen moet de beklaagde een totale schadevergoeding van 85.543,10 euro en een rechtsplegingvergoeding van 2.197,68 euro betalen.

Motivering hof van beroep

Bij het bepalen van de strafmaat hield het hof onder andere rekening met volgende elementen:

  • Bij het niet uitvoeren van de werkstraf zal deze vervangen worden door een gevangenisstraf. Deze maatregel is naar het oordeel van het hof absoluut noodzakelijk om de beklaagde de ernst van de gepleegde feiten te doen inzien. Het is eveneens noodzakelijk om in een voldoende krachtdadige vervangende straf te voorzien wanneer de beklaagde de opgelegde werkstraf niet zou uitvoeren.