Hof van beroep Gent verplicht Belgische Staat tot opname van geïnterneerde in gespecialiseerde instelling wegens psychische problematiek
Het hof van beroep Gent heeft beslist dat een geïnterneerde binnen een termijn van 45 dagen moet worden opgenomen in een gespecialiseerde residentiële instelling. Volgens het hof heeft de man als geïnterneerde recht op een menswaardig leven en op een passende behandeling voor zijn psychische problematiek. Daarnaast heeft de maatschappij alle belang bij een zorg op maat van de geïnterneerde met het oog op zijn re-integratie in de samenleving.
Feiten
Op 6 februari 2024 werd een man (appellant) wegens diverse feiten gearresteerd, en overgebracht naar de gevangenis van Gent. Op 23 juli 2024 besliste de Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI) bij het hof van beroep Gent dat de appellant moest worden geïnterneerd. Wegens andere feiten (opzettelijke brandstichting in zijn cel) sprak het hof op 2 oktober 2024 een tweede interneringsmaatregel uit.
In afwachting van een opname in een geschikte residentiële voorziening had de Kamer Bescherming Maatschappij (KBM) in een vonnis van 24 juni 2025 de appellant in de afdeling bescherming maatschappij (ABM) van de Gentse gevangenis geplaatst. Er werden (onder bepaalde voorwaarden) uitgaansvergunningen toegekend om een gepaste instelling uit te zoeken. Ondanks verschillende aanmeldingen bij diverse centra kon voor hem nog geen passende voorziening worden gevonden.
Dagvaarding + beoordeling rechtbank eerste aanleg in kortgeding
Op 17 april 2026 heeft de man de Belgische Staat/FOD Justitie in kortgeding gedagvaard. Hij gaf uitdrukkelijk te kennen dat hij wou behandeld worden (bij voorkeur ambulant, maar indien noodzakelijk ook residentieel). In de gevangenis ontbreekt het hem aan aangepaste zorg.
De rechtbank van eerste aanleg Gent beoordeelde in een vonnis van 2 juni 2026 de vordering van de appellant als ongegrond. Volgens de eerste rechter was niet voldaan aan de urgentievereiste.
De appellant ging tegen dit vonnis in beroep.
Beoordeling door het hof van beroep Gent
In tegenstelling tot de eerste rechter heeft het hof van beroep geoordeeld dat de vordering van de appellant wel urgent is. Sinds zijn verblijf in de gevangenis (vanaf 8 februari 2024) kan de man slechts van een beperkte psychische zorg en omkadering genieten. Zijn opname in ABM (afdeling bescherming maatschappij) in de gevangenis wordt als onvoldoende beschouwd om te beantwoorden aan de noden van zijn psychische problematiek. De vele tuchtrapporten tegen hem – en de feiten die ertoe aanleiding geven – tonen aan dat het voor hem in de ABM van de gevangenis van kwaad naar erger gaat. De omstandigheden van zijn detentie zijn onaangepast aan zijn geestesziekte, wat leidt tot een oplopende schade en een inbreuk op zijn mensenrechten.
Dat de appellant pas op 17 april 2026 de Belgische staat/FOD Justitie dagvaardde, impliceert niet dat er geen urgentie (meer) is. Hij heeft gedurende een bepaalde periode er op vertrouwd (en in geloofd) dat er een gepaste instelling zou worden gevonden. Tot op heden heeft hij nog steeds geen enkel vooruitzicht op een opname in een gepaste instelling.
De redelijke termijn waarbinnen een geïnterneerde moet kunnen worden geplaatst in een residentiële instelling is ogenschijnlijk overschreden.
Het hof acht het ook niet bewezen dat zijn psychiatrische en middelenproblematiek dermate uitzonderlijk en complex zijn, waardoor geen gepaste instelling kan worden gevonden. Daarnaast beschikt de appellant tot op heden nog steeds over een geldige verblijfstitel.
Conclusie
Het structureel gebrek aan psychiatrische opvolging, het uitzichtloze van de situatie, het hoge aantal tuchtprocedures, de suïcidepoging(en) die de appellant ondernam, de wijze waarop hij reageert op de gedwongen inspuitingen (nadat de medicatie hem voorheen oraal werd toegediend), de bedreigingen die hij recent nog kreeg en de impasse waarin hij is verzeild geraakt, nopen het hof tot het nemen van een onmiddellijke beslissing.
Besluit hof van beroep
Het hof van beroep Gent verplicht de Belgische Staat om de appellant binnen een maximale termijn van 45 dagen te laten opnemen in een gespecialiseerde residentiële instelling. Na afloop van deze termijn zal een dwangsom van 100 euro per dag vertraging worden opgelegd (met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van 100.000 euro). Dit betreft een voorlopige maatregel, in afwachting van een uitspraak ten gronde.
Het volledige arrest kan u nalezen in onderstaande PDF.