Persbericht REA Antwerpen: eiser voert een intimidatiestrategie en wordt door de rechtbank veroordeeld
Op 4 juni 2026 deed de rechtbank uitspraak in een burgerlijke zaak, waarbij de eisende partij een schadevergoeding vorderde voor het bekladden van zijn naam en reputatie en de aantasting van zijn vermogen. De rechtbank verklaarde deze hoofdvordering toelaatbaar, maar ongegrond. De drie verwerende partijen stelden op hun beurt tegenvorderingen in. De rechtbank oordeelde dat de eiser een intimidatiestrategie voerde tegen verwerende partijen en hen belette om deel te nemen aan het publieke debat en publieke participatie. Verder oordeelde de rechtbank dat de eiser misbruik had gemaakt van het procesrecht. De rechtbank veroordeelde de eiser tot het betalen van schadevergoedingen en een geldboete.
Het geschil had betrekking op uitlatingen en publicaties in het kader van het publieke debat over vastgoedinvesteringen via erfpachtconstructies. De drie verweerders waren twee vzw’s en één van hun bestuurders. De ene vzw had tot doel erfpachtconstructies waarin consumenten betrokken zijn te verbieden, minstens de consumenten te beschermen. De andere vzw verenigde particuliere investeerders in dergelijke vastgoedinvesteringen teneinde hen te informeren en bij te staan bij mogelijke dubieuze erfpachtconstructies. In dat kader werden persartikels op hun websites vermeld. Er werd door de bestuurder van één van de vzw’s (verwerende partij) een petitie in bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers ingediend om te wijzen op de gevaren van deze vorm van vastgoedinvesteringen. De eiser stelde aldus dat de verweerders de algemene zorgvuldigheidsplicht hadden geschonden door de eiser onterecht te vereenzelvigen met vermeende wanpraktijken in de vastgoedsector, hetwelk een ernstige aantasting zou zijn van zijn goede naam en reputatie. Hij beweerde ook dat de waarde van zijn aandelenparticipaties in ondernemingen zou zijn aangetast door het handelen van de verweerders.
Uit de voorgelegde stukken kon de rechtbank niet vaststellen dat de verwerende partijen enige fout hadden begaan, noch dat de reputatie van de eisende partij was beschadigd. Een volledige lezing van alle berichten op de websites van de vzw’s, leidde tot de vaststelling dat de eiser niet werd geviseerd. De berichten hadden immers betrekking op ondernemingen waarin enkele zonen van de eiser een bestuursmandaat bekleden. Eiser, die zelf aangaf geen enkel bestuursmandaat meer te bekleden, werd in een zeldzaam artikel enkel vermeld als voormalig ondernemer en pater familias. De petitie verwees op zich niet naar eiser. Aldus konden zijn reputatie en vermogen onmogelijk zijn aangetast door de acties van de verwerende partijen.
Langs de andere kant oordeelde de rechtbank dat de ingebrekestelling van de eiser kaderde in een intimidatiestrategie teneinde de verweerders te beletten deel te nemen aan het publieke debat of participatie inzake de volgens verwerende partijen verbonden gevaren aan erfpachtconstructies die aan consumenten worden aangeboden.
De verweerders verwezen verder naar de SLAPP-richtlijn betreffende de bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht. Volgens deze richtlijn moet worden verstaan onder publieke participatie het doen van enige verklaring of activiteit door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, vrijheid van kunsten en wetenschappen, of vrijheid van verzameling en vereniging, alsmede enige daarmee rechtstreeks verband houdende voorbereidende, ondersteunende of bijstandsverlenende activiteiten, die betrekking hebben op een zaak van algemeen belang. Een zaak van algemeen belang slaat op alle zaken die het publiek zodanig raken dat het publiek er om legitieme redenen interesse voor kan hebben.
De rechtbank stelde vast dat de verweerders betrokken waren bij publieke participatie door zich in te zetten voor een strijd tegen onrechtmatige of misleidende erfpachtconstructies tegen consumenten. Ze uitten dit door zich door het ijveren voor een aanpassing van de wetgeving ter bescherming van consumenten die vastgoedtransacties zouden aangaan onder een erfpachtconstructie. Eveneens waren zij betrokken bij publieke participatie om vermeende gedupeerden van een dergelijke onrechtmatige of misleidende erfpachtconstructie bij te staan in gerechtelijke procedures, hen te informeren en te ondersteunen.
De rechtbank stelde voorts vast dat de procedurele actie van de eiser een strategische rechtszaak was tegen de publieke participatie van de verwerende partijen (SLAPP-procedure). De rechtbank verwees hierbij naar de volgende vaststellingen: (i) de eiser stelde een buitensporige en onredelijke vordering in (ii) het buitensporig en onredelijk karakter van de vordering uitte zich in het feit dat de eiser in zijn dagvaarding van 27 november 2024 melding maakte van een provisionele schadevergoeding van 1,2 miljoen euro (iii) de eiser voerde meerdere procedures in soortgelijke aangelegenheden (iv) de eiser intimideerde de verwerende partijen. Echter stelde de rechtbank dat de SLAPP-richtlijn nog niet omgezet is in nationale wetgeving, waardoor zij aldus geen kracht van wet heeft. De richtlijn heeft geen horizontale werking tussen EU-burgers onderling. Aldus kunnen de verweerders zich niet op de SLAPP-richtlijn beroepen in hun interne verhouding met de eiser.
De rechtbank stelde echter dat niettegenstaande de SLAPP-richtlijn niet werd omgezet in nationaal recht, er de volgende internrechtelijke rechtsgrond gold: er werd misbruik gemaakt van procesrecht door het voeren van een roekeloos geding. De rechtbank verwees hierbij naar de aannemelijke impact op de eiser van de procedure en de kostbare tijd die deze aan de eiser gekost heeft.
De rechtbank veroordeelde de eiser aldus tot het betalen van schadevergoedingen, telkens ter hoogte van 2.500 euro aan elk van de drie verweerders. Gelet op voormelde vaststellingen i) - iv) oordeelde de rechtbank dat de eiser op tergend en roekeloze wijze de procedure heeft gevoerd, zodat de rechtbank hem veroordeelde tot het betalen van een geldboete van 1.500,00 euro en de maximale rechtsplegingsvergoeding aan de verweerders. De rechtbank veroordeelde de eiser verder tot betaling van de kosten van het geding aan de verweerders, dewelke voor elke van de verwerende partijen bepaald werden op 10.465,11 euro.
De rechtbank wees de volgende vorderingen van de verwerende partijen af: (i) een preventief verbod van eiser om nog tegen de verwerende partijen te procederen, (ii) een veroordeling tot afdracht van een deel van zijn vermogen als afschrikwekkende sanctie en (iii) een publicatiegebod van deze uitspraak in de kranten. De rechtbank oordeelde dat noch de SLAPP-richtlijn, noch de huidige stand van de wetgeving, het mogelijk maken om de eiser daartoe te veroordelen.