Rechtbank beveelt Belgische Staat om effectieve bezetting van Gentse gevangenis te reduceren tot 110% van de reële capaciteit
De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beveelt de Belgische Staat om de effectieve bezetting van de gevangenis van Gent te reduceren tot 110% van haar reële capaciteit. Volgens de rechtbank leiden de huidige detentieomstandigheden tot een aantasting van de fundamentele rechten van gedetineerden.
Vordering Orde Vlaamse Balies
De Orde van Vlaamse Balies (OVB - eiseres) vroeg de rechtbank om de Belgische Staat te bevelen de bezettingsgraad van de gevangenis in Gent te reduceren tot maximaal 110% van de reële capaciteit – met name 262 plaatsen - en dit binnen een termijn van zes maanden. Volgens de OVB vormt de huidige overbevolking een aantasting van de fundamentele rechten van rechtzoekenden die door rechterlijke beslissingen als gedetineerden of geïnterneerden in de Gentse gevangenis verblijven.
Concreet wijst de OVB naar de verschillende bijzonder schadelijke gevolgen van de structurele overbevolking, zoals een gebrek aan persoonlijke leefruimte, grondslapers, ontoereikende sanitaire voorzieningen, gebrekkige hygiëne en infrastructuur, een beperkt detentieregime en ontoereikende medische en psychische zorg.
Standpunt Belgische Staat
De Belgische Staat erkent de realiteit van de overbevolking en de nadelige gevolgen ervan. Ze voert evenwel aan dat de OVB geen rekening houdt met de inspanningen om deze overbevolking aan te pakken, noch met het feit dat deze problematiek niet onmiddellijk en eenvoudig op een aanvaardbare manier op te lossen valt. De Belgische Staat verwijst onder andere naar de Noodwet van 18 juli 2025 en de daarin vervatte maatregelen, alsook naar de bijkomende initiatieven die inmiddels worden voorbereid en die tijd vergen.
Om die reden is de vordering van de OVB volgens de Belgische Staat (verweerster) ongegrond. In ondergeschikte orde vraagt de Belgische Staat om de zaak een jaar uit te stellen. Op die manier is er tijd om de resultaten van de genomen en aangekondigde maatregelen rond de overbevolking in de gevangenis van Gent te evalueren.
Beoordeling rechtbank vordering OVB - toetsing aan art. 3 EVRM
De rechtbank heeft de situatie in de Gentse gevangenis getoetst aan artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). Dat bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan foltering of andere onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
De rechtbank stelt de overbevolking en de weerslag ervan op de detentieomstandigheden vast. Uit het jaarverslag van 2025 van de Commissie van Toezicht Gent blijkt immers dat de gevangenis van Gent een bezettingsgraad kent van bijna 200%. En deze overbevolking gaat gepaard met een aanzienlijke druk op de beschikbare leefruimte, de hygiëne, de toegang tot voorzieningen en de algemene levensomstandigheden binnen de inrichting.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de huidige situatie van gevangenisoverbevolking een structureel en systematisch karakter vertoont (wat door de Belgische Staat ook niet wordt betwist). Het gaat dus niet om een tijdelijke ontsporing van een functionerend systeem, maar om een terugkerend en duurzaam probleem waarvan de verweerster al vele jaren kennis heeft.
De omvang en bestendigheid van de overbevolking, in samenhang met de daarmee gepaard gaande nadelige gevolgen, doen de rechtbank besluiten dat de omstandigheden waaraan talrijke gedetineerden in de gevangenis van Gent worden blootgesteld, een vernederende behandeling uitmaken in de zin van artikel 3 EVRM. Dat de overheid inspanningen levert en verdere maatregelen overweegt, wordt door de rechtbank niet betwist. Deze doen echter geen afbreuk aan de jarenlange structurele overbevolking en de negatieve gevolgen ervan op de fundamentele rechten van de gedetineerden.
Besluit rechtbank
De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belgische Staat gehouden is om de gevolgen van de onrechtmatige toestand - die voortvloeit uit de vastgestelde schending van artikel 3 EVRM - te herstellen.
De rechtbank beveelt daartoe de Belgische Staat om de effectieve bezetting van de gevangenis van Gent te reduceren tot 110% van haar reële capaciteit. De keuze van de noodzakelijke concrete maatregelen om dit resultaat te bereiken komt niet toe aan de rechtbank, maar blijft behoren tot de beleidsvrijheid van de bevoegde overheden (wetgevende en uitvoerende macht).
De rechtbank geeft de Belgische Staat daarvoor zes maanden tijd. Indien daarna nog sprake is van overbevolking wordt een dwangsom opgelegd van 500 euro per dag per gedetineerde. Om haar aansporende werking te behouden, wordt deze dwangsom geleidelijk verhoogd tot 750 euro vanaf het tweede jaar, en tot 1.000 euro vanaf het derde jaar. Het totaalbedrag aan mogelijke dwangsommen werd vastgelegd op 45.000.000 euro.
Motivering rechtbank
De rechtbank hield bij haar oordeel rekening met volgende elementen:
- De bescherming die artikel 3 EVRM biedt, zou denkbeeldig worden als een nationale rechter zich zou beperken tot de loutere vaststelling van een schending, zonder een passende maatregel te bevelen die aan deze schending daadwerkelijk een einde kan stellen.
- De rechtbank is zich ervan bewust dat de oorzaken van de gevangenisoverbevolking complex zijn en niet kunnen worden herleid tot één enkele beleidskeuze. Zij houden verband met een samenspel van factoren, waaronder evoluties in het strafrechtelijk beleid, de strafuitvoering, de vervolgingspraktijk, de beschikbare detentiecapaciteit, investeringen in infrastructuur en de organisatie van het gevangeniswezen. Een duurzame oplossing veronderstelt dan ook een gecoördineerde inspanning van de verschillende staatsmachten.
- De overbevolking van de gevangenissen in België is echter al jarenlang bekend en heeft herhaaldelijk het voorwerp uitgemaakt van waarschuwingen, aanbevelingen en gerechtelijke procedures. De vastgestelde schendingen kunnen niet blijvend worden verantwoord door te verwijzen naar de complexiteit van het probleem. Volgens de rechtbank mag men daarom verwachten dat er met bijzondere daadkracht werk wordt gemaakt van duurzame oplossingen. Budgettaire, organisatorische of infrastructurele moeilijkheden kunnen daarbij geen rechtvaardiging vormen voor een toestand die strijdig is met artikel 3 EVRM.
-
De rechtbank is van oordeel dat de structurele aard van de problematiek niet wijst op een onmogelijkheid om tot oplossingen te komen, maar op de noodzaak van voldoende prioritaire, doortastende en gecoördineerde maatregelen die uiterst nauwgezetheid moeten worden opgevolgd.
-
Gelet op de actuele schending van artikel 3 EVRM acht de rechtbank het niet gerechtvaardigd om de beoordeling van de situatie gedurende een bijkomende periode uit te stellen, en eerst de evaluatie van reeds genomen of aangekondigde maatregelen af te wachten. De vraag van de Belgische Staat om 1 jaar uitstel wordt dan ook afgewezen.
-
De vordering van de OVB om dit vonnis te publiceren in het Belgisch Staatsblad en het mee te delen aan alle magistraten die zetelen in correctionele zaken werd afgewezen. De rechtbank ziet niet in hoe deze maatregelen kunnen bijdragen tot het herstel van de vastgestelde onrechtmatige toestand.
-
Het opleggen van een dwangsom vormt een noodzakelijke bijkomende prikkel om te komen tot een effectieve en duurzame oplossing. De huidige situatie laat immers niet toe dat nog langer wordt getalmd met maatregelen die op korte termijn impactvol zijn. Er werd wel een maximaal bedrag van 45.000.000 euro vastgelegd: een hoger bedrag zou geen wezenlijke bijkomende aansporing meer opleveren en dreigt het louter herstelgerichte karakter van de dwangsom te overstijgen.
Vrijwillige tussenkomst gedetineerde
De vrijwillige tussenkomst van een gedetineerde die in de gevangenis van Gent verblijft, zal worden behandeld op de zitting van 27 november 2026.