Persbericht voorzitter rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen nav zaak Kvira Rochem

05/01/2026

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen heeft bij beschikking van 6 september 2024  beslist dat de twaalfde kamer van de afdeling Brugge van de correctionele rechtbank (kamer B12) zitting zal houden op de site Justitia te Brussel voor de behandeling en berechting van een zaak van drugsmokkel lastens 32 beklaagden.

Deze kamer heeft vandaag in deze zaak beslist het woord niet te verlenen aan de partijen, de advocaten en het openbaar ministerie. De rechtbank heeft onmiddellijk na de opening van de zitting de debatten gesloten en de zaak voor uitspraak gesteld op de zitting van 30 maart 2026.

Het gerechtelijk onderzoek in de zaak werd gestart in het voorjaar van 2020 en afgesloten in 2024. Bij beschikking van de raadkamer van 8 april 2024 en bij arrest van 10 juni 2024 van de kamer van inbeschuldigingstelling werd de zaak verwezen naar de correctionele rechtbank. Op 6 september 2024 werd de zaak ingeleid voor de voornoemde kamer B12 van de correctionele rechtbank.

De behandeling van de zaak heeft sindsdien vertraging opgelopen door twee reeksen van in totaal 17 wrakingsverzoeken. Deze werden met arresten van het hof van beroep te Gent afgewezen. De tegen deze arresten ingestelde cassatieberoepen werden allen verworpen en dit voor het laatst bij de arresten van het Hof van Cassatie van 16 december 2025.

De beslissing van de correctionele rechtbank van vandaag om bij de opening van de zitting te beslissen om onmiddellijk de debatten te sluiten en de zaak voor uitspraak te stellen op de zitting van maandag 30 maart 2026 werd genomen op grond van volgende motieven:

  • Het is de taak en het prerogatief van de voorzitter van de kamer om de zitting te leiden. Vanuit die hoedanigheid is op de zitting van donderdag 18 september 2025 beslist en ter zitting meegedeeld dat het openbaar ministerie eerst het woord zou krijgen voor het requisitoir en de raadslieden daarna om beurten voor hun pleidooi, ook voor alle argumentatie die zij zelf als ‘preliminair’ menen te beschouwen. Tegen deze beslissing van inwendige aard staat geen rechtsmiddel open.

  • Op voormelde zitting heeft één van de raadslieden, daarin kennelijk gesteund door de overige raadslieden, zich daartegen verzet op een wijze die geleid heeft tot het verstoren van de orde van de zitting waardoor toepassing diende gemaakt te worden van artikel 760 van het Gerechtelijk Wetboek. Thans wordt vastgesteld dat dezelfde houding wordt aangenomen, vermits hoger beroep werd aangetekend tegen voormelde beslissing van inwendige aard, geacteerd op het zittingsblad, niettegenstaande de evidentie dat men uiteraard volledig vrij elk rechtsmiddel mag aanwenden.

  • Geen enkele interpretatie van het recht van verdediging houdt het recht in om de orde van de zitting te verstoren.

  • De rechtbank stelde vast dat de raadslieden zich niet wensen te schikken naar de faciliteiten en modaliteiten die door de rechtbank waren bepaald om gehoord te worden en de verdediging te voeren.

  • Omdat de rechtbank op grond van artikel 6 EVRM de plicht heeft om de zaak binnen een redelijke termijn te behandelen, is het niet aangewezen de debatten nog langer open te houden.