Financieel directeur veroordeeld wegens onder andere schriftvervalsing, misbruik van vertrouwen en witwassen

13/01/2026

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk heeft een beklaagde veroordeeld wegens onder andere schriftvervalsing, misbruik van vertrouwen en witwassen. Als financieel directeur en bestuurder verduisterde de man jarenlang en via verschillende mechanismen gelden van de vennootschappen waarover hij mee de leiding had. Hij trok andere beklaagden mee in het bad, onder meer door hen te vragen om gelden via hun rekeningen te kunnen versluizen. De rechtbank hield bij de strafmaat wel rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, zoals eerder reeds door de kamer van inbeschuldigingstelling was vastgesteld. Naast het opleggen van een gevangenisstraf deels met uitstel, werd in totaal tegenover de eerste beklaagde een bedrag van om en bij 4.780.887,13 euro verbeurd verklaard. Aan de diverse burgerlijke partijen moet hij in totaal 12.502.098,24 euro en 1.657.370,62 euro (hoofdelijk met de tweede, derde en vierde beklaagde) betalen.

Tenlasteleggingen

Negen beklaagden (zes natuurlijke personen en drie ondernemingen)* moesten zich voor de rechtbank verantwoorden voor onder andere:

  • valsheid in handels- of bankgeschriften of in private geschriften en het gebruik van valse stukken

  • manipulatie van informaticagegevens om onrechtmatig economisch voordeel te verwerven

  • misbruik van vertrouwen

  • omzetting of overdracht criminele vermogensvoordelen om illegale herkomst te verbergen

  • verbergen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van criminele vermogensvoordelen

* Het openbaar ministerie deed een voorstel van minnelijke schikking aan de tiende en de elfde  beklaagde. Beide beklaagden aanvaardden dit voorstel, waardoor rechtbank voor hen enkel moest oordelen over de vraag tot bekrachtiging van de minnelijke schikking.

Miskenning van de redelijke termijn

Diverse beklaagden argumenteerden dat de redelijke termijn zeer zwaarwichtig werd miskend, wat volgens hen zou moeten leiden tot het verval van de strafvordering.

Hoewel het vaststaat dat de redelijke termijn ten aanzien van alle beklaagden is overschreden, oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van een zwaarwichtige miskenning in het geval van de eerste, tweede, derde en vierde beklaagde. 

De rechtbank besloot dat in het geval van de vijfde, zesde, zevende, achtste en elfde beklaagde de redelijke termijn wel zeer zwaarwichtig werd miskend, waardoor de strafvordering voor deze beklaagden was vervallen. 

Beoordeling schuldvraag

Bij het beoordelen van de schuld van de diverse beklaagden hield de rechtbank onder andere rekening met volgende elementen:

  • Als bestuurder en financieel directeur van diverse vennootschappen binnen eenzelfde vennootschapsgroep had de eerste beklaagde het precair bezit over de gelden en goederen van deze vennootschappen. Hij moest deze gelden en goederen beheren en besteden in het belang van de vennootschappen.

  • Er werden huurovereenkomsten en facturen opgesteld op naam van vennootschappen waarvan de eerste beklaagde bestuurder en financieel directeur was, terwijl de gehuurde en/of gefactureerde goederen in werkelijkheid louter bestemd waren voor zijn privégebruik of voor privé-aankopen (bijvoorbeeld vrachtwagens, bestelwagens, houtkrullen, een tractor, een mestcontainer, een horloge, tankkaart, sponsoring van sportclubs,…). Bepaalde aangekochte goederen werden gebruikt op een manege, die eigendom was van de tweede beklaagde en werd uitgebaat door de derde beklaagde.

  • Door privé-uitgaven bedrieglijk te laten factureren aan én te laten betalen door diverse vennootschappen,  maakte de eerste beklaagde zich schuldig aan valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken en aan misbruik van vertrouwen. Als financieel directeur stond hij in voor de controle van de valse facturen die hij zelf liet opstellen. Pas nadat ze door hem werden goedgekeurd, konden ze worden betaald. Hij wist van meet af aan dat er van een daadwerkelijke controle door de betrokken vennootschappen geen sprake kon zijn.

  • De eerste beklaagde wendde vennootschapsgelden aan voor privédoeleinden en beschikte er bedrieglijk over als eigenaar. Hierdoor is er sprake van verduistering. De rechtbank twijfelt er verder niet aan dat de eerste beklaagde handelde met bedrieglijk opzet en schuldig is aan het misdrijf van misbruik van vertrouwen.

  • De derde en vierde beklaagde waren betrokken bij bepaalde feiten van misbruik van vertrouwen ten nadele van de burgerlijke partijen. Beide beklaagden lieten toe dat er gelden naar hun rekeningen werden overgeschreven, om deze vervolgens onder mee cash af te halen. Ze wasten de gelden op die manier wit. Het kan voor de rechtbank niet anders dan dat zij wel degelijk wisten wat er aan de hand was en hieraan bewust hun medewerking verleenden.

Strafmaat

Eerste beklaagde

Een hoofdgevangenisstraf van 3 jaar, met uitstel voor de duur van vijf jaar (met uitzondering van het gedeelte dat overeenstemt met de duur van de ondergane voorhechtenis). 

In totaal werd tegenover de eerste beklaagde een bedrag van om en bij 4.780.887,13 euro verbeurd verklaard. De gelden werden toegekend aan de verschillende burgerlijke partijen.

Daarnaast moet de eerste beklaagde een bedrag van 8.023.002,34 euro en 468.850 euro (hoofdelijk met de tweede, derde en vierde beklaagde) betalen aan de eerste burgerlijke partij (NV Firma Cras). Aan andere burgerlijke partijen moet hij in totaal 4.479.095,90 euro en 1.188.520,62 euro (hoofdelijk met de tweede, derde en vierde beklaagde) betalen.

Tweede beklaagde 

Een geldboete van 80.000 euro, met uitstel voor de duur van drie jaar (met uitzondering van 40.000 euro effectief). Een bedrag van 32.287,57 euro werd verbeurd verklaard.

Derde en vierde beklaagde

Elk een hoofdgevangenisstraf van 10 maanden, met uitstel voor de duur van vijf jaar. Een bedrag van 30.000 euro per beklaagde werd verbeurd verklaard.

Motivering rechtbank

Bij het bepalen van de strafmaat hield de rechtbank onder meer rekening met: 

  • De aard, de ernst en de veelheid van de feiten, die getuigen van een oneerlijke ingesteldheid en een totaal gebrek aan normbesef. 
  • De omstandigheden waarin deze feiten werden gepleegd. Als financieel directeur en bestuurder verduisterde de eerste beklaagde jarenlang via verschillende mechanismen gelden van de vennootschappen waarover hij mee de leiding had, stelde hij talrijke valse stukken op, maakte hij grote sier met gelden waarover hij onrechtmatig beschikte en trok hij anderen mee in het bad door hen te vragen om gelden via hun rekeningen te kunnen versluizen. De lange periode waarover de feiten zich uitstrekten, maakte het weinig waarschijnlijk dat de eerste beklaagde spontaan zijn activiteiten zou hebben gestaakt.

  • Door de overschrijding van de redelijke termijn kende de rechtbank lagere gevangenisstraffen en een ruimer uitstel toe.

  • Het strafverleden van de beklaagden.