De rechtbank van eerste aanleg Limburg heeft uitspraak gedaan in een zaak van verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit. In een zedenzaak wordt het vonnis niet ter beschikking gesteld ter bescherming van de partijen, omwille van de persoonlijke en intieme aard van een dergelijk vonnis. Om de maatschappij meer duiding te geven bij de uitspraak, verstuurt de rechtbank een persbericht en verwijst zij naar een Q&A over probatie-opschorting via https://bit.ly/probatie-opschorting.
De voor de rechtbank bewezen feiten kunnen als volgt worden weergegeven. Het slachtoffer koos ervoor een nacht door te brengen op de verblijfplaats van de beklaagde om praktische redenen, zij schatte de situatie als veilig in. Er waren geen aanwijzingen die wezen op intieme intenties vanwege het slachtoffer, noch de beklaagde. Toch werden er seksuele handelingen bij haar gesteld zonder haar instemming. Het slachtoffer heeft deze handelingen onderbroken door de situatie te verlaten en te vertrekken uit de verblijfplaats van de beklaagde.
Zowel de beklaagde als het slachtoffer waren lid van dezelfde studentenvereniging, waarbij de beklaagde de rol van schachtentemmer vervulde en het slachtoffer die van schacht. De rechtbank was van mening dat de positie van de beklaagde tegenover het slachtoffer niet als gezagsverhouding kon worden beschouwd. Uit het strafdossier blijkt niet dat de beklaagde zijn positie heeft misbruikt om de bewezen verklaarde feiten te plegen en de rechtbank heeft deze verzwarende omstandigheid bijgevolg verworpen.
Bij de motivering van de uitspraak hechtte de rechtbank groot belang aan de verklaringen van het slachtoffer. Deze werden als geloofwaardig beoordeeld, ook omwille van de overeenstemming met de objectieve vaststellingen van medische deskundigen en de verklaringen van anderen aan wie het slachtoffer (kort na de feiten) haar relaas had gedaan. De verklaringen van de beklaagde werden wat betreft de door hem voorgehouden toestemming door het slachtoffer als niet geloofwaardig beschouwd. Bovendien is gezien de concrete feitelijke omstandigheden geen sprake van een dwaling in hoofde van beklaagde over de afwezigheid van een geldige voorafgaande toestemming tot het stellen van de seksuele handelingen.
De rechtbank nam eveneens het profiel van de beklaagde in overweging bij haar uitspraak. De beklaagde beschikt over een blanco strafregister en voldoet daarmee aan de wettelijke voorwaarde die bepaald is om probatie-opschorting te kunnen toekennen, meer bepaald dat hij nog niet veroordeeld mag zijn tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden. Daarnaast volgt hij therapie en geeft de beklaagde blijk van een schuldinzicht. De rechtbank stelt vast dat de beklaagde gelet op bepaalde inzichten een zekere erkenning naar het slachtoffer toe bood en dat hij zich ook terug trok uit de studentenvereniging en bepaalde maatregelen op de campus naleefde. Hij heeft bovendien een zekere stabiliteit gevonden in zijn leven, zowel op vlak van studies als tewerkstelling. Tot slot zijn er sinds de feiten geen nieuwe misdrijven gemeld. De samenhang van deze elementen deed de rechtbank besluiten dat het risico op recidive beperkt is.
De rechtbank erkent dat de bewezen verklaarde feiten onmiskenbaar een grote impact hebben gehad op het slachtoffer. Rekening houdend met de ernst van de feiten en met bovengenoemde elementen kende de rechtbank aan de beklaagde de probatie-opschorting toe zoals door het openbaar ministerie ook werd gevorderd. Dat betekent dat de schuld van de beklaagde juridisch is vastgesteld, maar dat een veroordeling wordt opgeschort zolang de opgelegde voorwaarden worden nageleefd. De beklaagde mag gedurende 5 jaar geen nieuwe strafbare feiten plegen en moet over een vast verblijfsadres beschikken. Hij moet ook gehoor geven aan oproepingen van de probatiecommissie en zijn justitieassistent en hij moet werken of actief op zoek zijn naar een zinvolle dagbesteding. Verder wordt van hem verwacht dat hij actief meewerkt aan een ambulante zorg voor zijn psychische problematiek.
Ten slotte verklaarde de rechtbank de burgerlijke vordering ontvankelijk en veroordeelde zij de beklaagde tot het betalen van een schadevergoeding van 8.000 euro aan het slachtoffer.
Tegen deze uitspraak kan binnen een termijn van 30 dagen beroep worden aangetekend bij het hof van beroep.
Luc De Cleir
Woordvoerder REA Limburg
Luc.DeCleir@just.fgov.be
0472/90.13.56