10/02/2026

De correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde heeft een bedrijf uit de Antwerpse haven en drie werknemers veroordeeld wegens inbreuken op het Wapenhandeldecreet. De beklaagden hebben tussen 1 oktober 2017 en 30 mei 2019 als scheepsagent zeven transporten militaire goederen doorgevoerd naar Saudi-Arabië zonder de vereiste vergunningen aan te vragen.

Feiten

Naar aanleiding van een klacht van vzw Forum voor Vredesactie wordt een onderzoek gestart naar de activiteiten van het bedrijf Unamar (eerste beklaagde). De onderneming zou sinds eind 2015 optreden als scheepsagent, vertegenwoordiger en doorvoerder van de Saudische rederij. Vanuit die rol zou Unamar wapens en militaire goederen hebben doorgevoerd die bestemd waren voor de oorlog in Jemen, zonder hiervoor de noodzakelijke vergunningen aan te vragen.  

Tenlasteleggingen 

Op basis van het onderzoek moesten vier beklaagden (Unamar, een lijnmanager, een bediende en een bestuurder) zich verantwoorden voor inbreuken op het Wapenhandeldecreet en een poging daartoe. 

Concreet hebben ze tussen 1 oktober 2017 en 30 mei 2019 als scheepsagent zeven transporten militair gerelateerde goederen doorgevoerd voor de Saudische rederij Bahri zonder de vereiste vergunning aan te vragen. Daarnaast deden ze tussen 1 januari 2020 en 4 februari 2020 een poging om één transport militair gerelateerde goederen door te voeren zonder een vergunning aan te vragen. Deze laatste doorvoer ging niet door wegens de tussenkomst van de dienst Controle Strategische Goederen.

Verweer beklaagden ivm transitgoederen

De eerste en tweede beklaagde meenden dat het enkel transitgoederen betroffen – de goederen werden niet verplaatst en bleven aan boord van het schip – waardoor er geen vergunning noodzakelijk was. Ze wezen op het gebrek aan onderscheid in het Wapenhandeldecreet tussen transit (doorvoer zonder overlading) en doorvoer (met overlading).

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank verwijst naar volgende passage uit het Wapenhandeldecreet (optimalisatie van 30 juni 2017): “Zeer veel bepalingen van het Wapenhandeldecreet en het Wapenhandelbesluit verwijzen naar doorvoer. De verplichtingen in deze bepalingen moeten evenzeer gelden voor doorvoer zonder overlading/herlading als voor doorvoer met overlading/herlading.” 

Met andere woorden: vanaf de inwerkingtreding van het Optimalisatiedecreet (30 juni 2017) moet onder doorvoer ook doorvoer zonder overlading en herlading worden begrepen. Dat dit afwijkt van de definitie van doorvoer zoals voorzien in het Wapenhandelverdrag is totaal irrelevant. 

Anders dan beklaagden voorhouden is deze wetswijziging niet van dag op dag in werking getreden. De rechtbank verwijst naar de nota van het openbaar ministerie waarin de aanloop duidelijk wordt uiteengezet en gedocumenteerd. Bovendien gaf het Optimalisatiedecreet uitvoering aan de Conceptnota van 2016 over de optimalisatie van het Wapenhandeldecreet en het Wapenhandelbesluit, en waarop de inbreng van verscheidene belangengroepen gezocht werd.

Bovendien liet de dienst Controle Strategische Goederen (dCSG) al in juli 2016 aan de tweede beklaagde weten - na een verzoek tot dringende informatie – dat de wetgeving wellicht zou gewijzigd worden, en dat er dus voor doorvoer zonder overlading onder bepaalde voorwaarden mogelijk ook een vergunning zou vereist zijn. Saudi-Arabië werd als land van bestemming daarbij als bijzonder gevoelig beschouwd.

Verweer beklaagden ivm verantwoordelijkheid   

Drie beklaagden wezen erop dat Unamar als scheepsagent optrad en niet als expediteur. Een scheepsagent vertegenwoordigt het schip of de rederij, terwijl de expediteur de goederen vertegenwoordigt. Het is daarbij de taak van de expediteur (in dit geval de Saudische rederij Bahri) om alle nodige vergunningen in orde te maken. 

Beoordeling rechtbank

Op basis van het strafdossier staat vast dat Unamar als scheepsagent voor de Bahri-rederij moet worden aanzien als doorvoerder die in Vlaanderen instond voor het aanvragen van de nodige vergunningen. Zo verwijst de rechtbank naar diverse mails tussen de beklaagden en dCSG. Bovendien bleek daarbij duidelijk dat alle beklaagden beseften dat zij moesten instaan voor het aanvragen van de doorvoervergunningen.

Verweer beklaagden ivm kennis

Drie beklaagden stelden dat Unamar niet over de vereiste kennis beschikte en niet in de mogelijkheid verkeerde om te controleren welke precieze goederen zich al aan boord bevonden. Unamar had geen zicht op de goederen die buiten Antwerpen werden geladen of gelost, en haar medewerkers hadden niet de mogelijkheid om via IT-systemen zelf op te vragen welke goederen er juist aan boord lagen.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat Unamar en de andere beklaagden wel degelijk wisten dat er militair materiaal aanwezig was met als bestemmeling de Saudische strijdkrachten. De rechtbank verwijst hierbij naar diverse elementen uit het strafdossier, zoals contacten en mailverkeer tussen de tweede beklaagde en dCSG en analyse van financiële documenten en manifesten.

Verweer beklaagden ivm de bestemming van de wapens

Drie beklaagden menen dat niet is aangetoond dat de doorgevoerde goederen mogelijks bestemd waren of konden zijn voor het plegen van genocide, misdaden tegen de mensheid of oorlogsmisdaden. Er was geen sprake van een wapenembargo tegen Saudi-Arabië, noch was het Vlaams Gewest en/of België als partij betrokken bij internationale verdragen of lid van internationale regimes op het gebied van non-proliferatie of ontwapening.

Beoordeling rechtbank

Volgens de rechtbank was er wel degelijk een vermoeden dat het militair materiaal bestemd was of kon zijn voor Saudi-Arabië voor het plegen van oorlogsmisdaden, waardoor deze doorvoer strijdig is met de verplichtingen die België aanging onder artikel 6 Wapenhandelsverdrag. De rechtbank verwees onder andere naar resoluties en rapporten van de VN Mensenrechtenraad, de weigering van de Vlaamse overheid om uitvoervergunningen af te leveren omwille van het risico dat het uitgevoerde materiaal gebruikt werd in de oorlog in Jemen, de weigering van de federale overheid om nog exportverzekeringen te verstrekken voor wapenexport naar Saudi-Arabië,…

Bovendien blijkt uit het strafdossier dat alle beklaagden kennis hadden van de situatie in Jemen en de betrokkenheid van Saudi-Arabië hierin.

Strafmaat

Eerste beklaagde

De rechtbank veroordeelde de eerste beklaagde tot een geldboete van 120.000 euro.

Tweede beklaagde

Een hoofdgevangenisstraf van tien maanden met uitstel voor een periode van 3 jaar, en een effectieve geldboete van 4.000 euro. 

Derde beklaagde

De rechtbank verleende de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende een proeftermijn van 3 jaar.

Vierde beklaagde

Een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden met uitstel voor een periode van 3 jaar, en een effectieve geldboete van 4.000 euro.

Vordering burgerlijke partij

De vordering van de burgerlijke partij werd ontvankelijk en gegrond verklaard. De beklaagden werden veroordeeld tot de gevraagde morele schadevergoeding van 1 euro.

Motivering rechtbank

Bij haar beslissing en bij het bepalen van de strafmaat hield de rechtbank rekening met volgende elementen:

  • Zowel de onderneming Unamar als de drie werknemers hebben de feiten wetens en willens gepleegd.  Pas na de tussenkomst van dCSG in januari 2020 deed de Bahri-rederij niet langer de haven van Antwerpen aan, waardoor de samenwerking met Unamar werd beëindigd. 

  • De tweede beklaagde ging op 31 augustus 2019 uit dienst bij Unamar. De rechtbank heeft hem om die reden vrijgesproken voor de poging in februari 2020 om één transport militair gerelateerde goederen door te voeren zonder een vergunning aan te vragen. Als lijnmanager was hij wel betrokken bij het operationele luik van de doorvoering van de zeven transporten.

  • Uit het strafdossier blijkt niet – minstens bestaat hieromtrent twijfel – dat de derde beklaagde noodzakelijke hulp verleende bij het doorvoeren van de zeven transporten van militair gerelateerde goederen. Zij stond als bediende wel in voor de poging tot doorvoer op 4 februari 2020.

  • Op basis van het strafdossier blijkt dat de vierde beklaagde van bij aanvang betrokken was bij de Bahri-lijn, eerst als werknemer en daarna als bestuurder. Hij wist dat er militair materiaal met als bestemmeling de Saudische strijdkrachten aan boord van de voorziene schepen was, en dat hiervoor een vergunningsplicht bestond.

  • De feiten zijn ernstig. Ze getuigen van een egoïstische ingesteldheid en werden uit louter economische motieven gepleegd.
  • Samen met beklaagden stelde de rechtbank vast dat de zaak een periode van stilstand heeft gekend (meer dan twee jaar tussen de beschikking tot mededeling van 10 september 2021 en de eindvordering van 19 januari 2024), welke niet kan worden toegeschreven aan de beklaagden en waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. De rechtbank hield hiermee dan ook rekening bij het bepalen van de strafmaat. Anderzijds werd rekening gehouden met de omvang en de complexiteit van het dossier.