De twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zetelt voor de behandeling en berechting van een belangrijke zaak van drugsmokkel lastens 32 beklaagden op de site Justitia te Brussel. De hoogste instanties van het land hebben in dit dossier recent drie beslissingen genomen.
Beslissing van de Hoge Raad voor de Justitie
Op de zitting van 18 september 2025 werd door de rechtbank een beslissing genomen die op ongenoegen stuitte. Daarop ontstond een incident en werd één advocaat op bevel van de rechtbank onder politiebegeleiding uit de zittingszaal verwijderd.
De voorzitter van de Orde van Vlaamse Balies (OVB) verklaarde in de media dat een grens overschreden was en dat de advocatuur en het publiek mogen weten wat de Hoge Raad voor de Justitie daarvan denkt. De OVB vroeg de Hoge Raad voor de Justitie een onderzoek te voeren naar de concrete omstandigheden, de wenselijkheid en de proportionaliteit van de uitzetting.
Recent besliste de Hoge Raad voor de Justitie dat zij onbevoegd is om de klacht te behandelen. Zij is van oordeel dat de rechter een ordemaatregel in toepassing van artikel 760 en 761 van het Gerechtelijk Wetboek had genomen en dat zij zich over deze rechterlijke beslissing niet kan of mag uitspreken. Om die reden besloot de Hoge Raad voor de Justitie om het dossier wat dat betreft af te sluiten.
Met deze beslissing respecteert de Hoge Raad voor de Justitie de Grondwettelijk gewaarborgde onafhankelijkheid van de rechter.
Arrest van het Hof van Cassatie van 16 december 2025
Met een arrest van 16 december 2025 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld over een voorziening in cassatie die werd ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep te Gent. In dit arrest had het hof het verzoek tot wraking tegen een zetelende rechter afgewezen.
Het Hof sprak zich uit over de beslissing van de rechter die het bevel gaf een advocaat uit de zittingszaal te laten verwijderen. Die advocaat weigerde zich neer te leggen bij de beslissing dat hij het woord niet kreeg en zorgde zo voor stoornis. Het Hof overwoog dat die rechter aldus gebruik maakt van de hem bij wet toegekende bevoegdheid tot handhaving van de orde ter zitting en dat hij daarmee het recht van verdediging niet miskent. Dat die advocaat niet langer aan het debat kon deelnemen, was naar oordeel van het Hof van Cassatie een gevolg van zijn eigen houding.
Arrest van het Hof van Cassatie van 20 januari 2026
In het zittingsblad van de zitting van 18 september 2025 werd geakteerd dat daags voordien conclusies werden ontvangen. Er werd verder geakteerd dat de betreffende raadslieden daarover zullen mogen pleiten samen met hun pleidooi over de grond van de zaak na het requisitoir van het openbaar ministerie.
Het is tegen deze beslissing dat door bepaalde beklaagden hoger beroep werd aangetekend. Om die reden waren zij van oordeel dat de rechtbank de zaak op de zitting van 5 januari 2026 niet kon behandelen. Deze was volgens hen immers hangend voor het hof van beroep. Op de zitting van 5 januari 2026 noemde de rechtbank de voornoemde beslissing ‘een maatregel van inwendige aard’. Op deze zitting sloot de rechtbank de debatten en nam ze de zaak in beraad.
Op 20 januari 2026 heeft het Hof van Cassatie, rechtdoende op een voorziening in cassatie van een partij tegen een arrest van het hof van beroep te Gent betreffende een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling in deze zaak, geoordeeld dat de beslissing van 18 september 2025 als zodanig een beslissing van inwendige aard is die de belangen van de partijen niet kan schaden en dat ze bijgevolg niet vatbaar is voor hoger beroep.