De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, heeft het verval van de strafvordering uitgesproken voor diverse feiten die aan een schrijver werden ten laste gelegd. De rechtbank verwijst hierbij naar het ‘non bis in idem’-beginsel. Dit houdt in dat niemand die in strafzaken definitief is veroordeeld of vrijgesproken door een in kracht van gewijsde getreden beslissing, een tweede maal vervolgd mag worden voor identieke feiten of substantieel dezelfde feiten (zelfs als deze anders gekwalificeerd werden). De betrokken schrijver werd namelijk via vonnis van 11 maart 2025 reeds vrijgesproken voor de vermelde feiten.
Voorafgaand
Sinds het uitbreken van de oorlog tussen Israël en Hamas (7 oktober 2023) schreef de beklaagde in het tijdschrift Humo meerdere columns, waarbij hij meningen uitte in verband met deze oorlog en de rol van de Joodse gemeenschap.
Volgens verschillende leden van de Joodse gemeenschap en de vzw Joods Informatie en Documentatiecentrum (JID) zouden deze columns citaten bevatten die wijzen op antisemitisch gedrag, het willen aanzetten tot geweld jegens Joden en het minimaliseren van de Holocaust. Er werd onder andere verwezen naar de column van 4 augustus 2024. Daarin schreef de beklaagde “dat ik iedere Jood die ik tegenkom een puntig mes los door de keel wil rammen”. De beklaagde zou volgens hen mededader zijn aan de daarop volgende antisemitische uitspraken op sociale media waarbij werd opgeroepen tot haat en geweld tegen de Joden.
Naar aanleiding van deze en eerdere columns werd de schrijver op 7 oktober 2024 rechtstreeks gedagvaard door vzw JID en een tweede dagende partij in persoon. Op 11 maart 2025 werd de schrijver door de rechtbank van Gent vrijgesproken voor alle tenlasteleggingen.
Nieuwe dagvaarding
Op 16 januari 2025 werd de schrijver opnieuw gedagvaard door drie personen van Joodse origine met Nederlandse nationaliteit. Concreet ging het om volgende tenlasteleggingen:
-
Het schromelijk minimaliseren van de Holocaust in de Humo-columns van 13 december 2023 en 27 mei 2024, en anderen daartoe aansporen in de column van 4 augustus 2024.
-
Het aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld tegen leden van de Joodse gemeenschap in de Humo-columns van 1 november 2023, 8 november 2023, 7 december 2023, 13 december 2023, 27 mei 2024, 3 juni 2024 en 4 augustus 2024, en via een interview in de Gazet van Antwerpen van 6 augustus 2024.
-
Het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat in de columns van 1 november 2023, 8 november 2023, 7 december 2023, 13 december 2023, 27 mei 2024, 3 juni 2024 en 4 augustus 2024 en via een interview in de Gazet van Antwerpen van 6 augustus 2024.
-
Het beledigen van leden van de Joodse gemeenschap door geschriften.
Beoordeling rechtbank op strafrechtelijk gebied
Bovenstaande feiten die de rechtbank nu moest beoordelen zijn dezelfde als diegene waarover reeds werd geoordeeld bij het hierboven vermelde vonnis van 11 maart 2025. Dit werd ook niet betwist door de drie dagende partijen, net als het feit dat de beklaagde dezelfde persoon betrof.
De rechtbank verwijst daarom bij haar beoordeling naar het ‘non bis in idem’-beginsel. Dit houdt in dat niemand die in strafzaken definitief is veroordeeld of vrijgesproken door een in kracht van gewijsde getreden beslissing, een tweede maal vervolgd mag worden voor identieke feiten of substantieel dezelfde feiten (zelfs als deze anders gekwalificeerd werden).
Het feit dat de burgerlijke partijen in beroep gingen tegen het vonnis van 11 maart 2025 kan niets veranderen aan de vrijspraak op strafrechtelijk gebied voor de vermelde tenlasteleggingen. Het openbaar ministerie tekende immers geen beroep aan, waardoor de beslissing met betrekking tot de strafvordering kracht van gewijsde heeft gekregen.
Als gevolg hiervan moet de rechtbank het verval van de strafvordering uitspreken voor de feiten onder de hierboven vermelde tenlasteleggingen.
Beoordeling rechtbank op burgerlijk gebied
De rechtbank heeft de rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partijen onontvankelijk verklaard. Bij een rechtstreekse dagvaarding moeten de benadeelden immers kunnen aantonen dat zij schade hebben geleden en een rechtmatig belang hebben bij de bestraffing.
In dit concrete geval hebben de burgerlijke partijen zich in hun rechtstreekse dagvaarding beperkt tot de vermelding dat zij joden zijn en familie verloren zouden hebben in de Holocaust. Hieruit blijkt op zich geen schade die rechtstreeks afkomstig zou zijn van de misdrijven die beklaagde ten laste worden gelegd. De burgerlijke partijen maken een dergelijke rechtstreekse schade ook niet aannemelijk, en brengen geen begin van bewijs aan.
De vordering van de beklaagde tot het betalen van een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding werd ongegrond verklaard.