De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk heeft een man veroordeeld wegens onopzettelijke slagen en verwondingen. De man – die zijn eigen partner en haar kind had aangereden – moest zich oorspronkelijk verantwoorden voor poging tot doodslag. Maar de rechtbank oordeelde dat er twijfel was over de intentie van de beklaagde om zijn partner en haar zoontje te doden.
Feiten
Op 7 september 2025 was de man samen met zijn partner en haar vijfjarig zoontje op bezoek bij familieleden. Daar ontstond ruzie, waarna de vrouw met haar kind te voet naar huis vertrok. Later belde ze toch naar haar partner met de vraag om hen onderweg in Spiere-Helkijn te komen oppikken. Toen de man ter plaatse kwam, schoof hij ter hoogte van een rotonde met zijn auto over de aanpalende grasberm. Daarbij raakte hij zijn vrouw en haar zoontje. Het kind werd in levensgevaar overgebracht naar het UZ Leuven. De vrouw werd zwaar gewond. Bij haar ondervraging bleek ze zich niet meer te herinneren wie haar en haar zoontje had aangereden.
Tegenover de politie gaf de beklaagde een nerveuze, verwarde en kwade indruk. Hij deed ook enkele opmerkelijke uitspraken.
Bij zijn ondervraging ontkende de beklaagde dat hij opzettelijk was ingereden op zijn partner en haar zoon. Hij had geremd, reed de grasberm op en verloor hierbij de controle over het stuur.
Vaststellingen verkeersdeskundige
Volgens de aangestelde verkeersdeskundige maakte de beklaagde aan de rotonde eerst een rechtdoor rijbeweging in plaats van het traject van de rotonde naar links te volgen. Vervolgens maakte hij in de gelijkgrondse grasberm een stuurbeweging naar links, waarbij zijn partner en haar zoontje werden gevat door de linker voorhelft van het voertuig. De chauffeur had het ongeval in laatste instantie kunnen vermijden door in de gelijkgrondse berm (of vlak daarvoor) rechtdoor te rijden of naar rechts uit te wijken, om zo een aanrijding met beide voetgangers te vermijden.
Geconfronteerd met deze vaststellingen bleef de beklaagde verklaren dat de aanrijding een ongeval was. Hij wou zijn auto langs de kant zetten, maar verloor de controle over het voertuig. Hij had niet de intentie om zijn partner en haar zoontje omver te rijden. Hij was onder invloed van alcohol.
Tenlastelegging
De beklaagde moest zich voor de correctionele rechtbank van Kortrijk verantwoorden voor poging tot doodslag.
Beoordeling schuldvraag
Bij het bepalen van de schuldvraag hield de rechtbank onder andere rekening met volgende elementen:
-
De rechtbank kan het misdrijf ‘poging doodslag’ alleen bewezen verklaren als het oogmerk om te doden boven elke redelijke twijfel vaststaat. Als hierover redelijke twijfel bestaat, moet deze twijfel in het voordeel van de beklaagde worden geïnterpreteerd.
-
In dit geval is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende zekerheid bestaat om te besluiten dat de beklaagde zijn partner en haar zoontje opzettelijk aanreed, met de bedoeling om hen te doden.
- De verklaring van de beklaagde dat hij zijn partner en haar zoontje wou gaan oppikken en de controle over het stuur verloor wanneer hij met zijn voertuig de berm opreed, is niet geheel onaannemelijk. De rechtbank wijst daarbij onder andere op de verklaringen van de partner, de vaststellingen van de verkeersdeskundige (die stelde dat de beklaagde in de seconden voor de aanrijding zijn voertuig sterk heeft afgeremd) en het feit dat het oversteken van een borduur aan de rotonde mogelijks heeft geleid tot controleverlies over het voertuig bij het oprijden van de grasberm.
-
Dat de beklaagde kort voor de feiten ruzie had met zijn partner en kwaad op haar was, is op zichzelf onvoldoende om te besluiten dat de beklaagde haar en haar zoontje opzettelijk aanreed en het oogmerk had om hen te doden. Hetzelfde geldt voor zijn handelingen en uitlatingen na het ongeval. Het gegeven dat de beklaagde onder invloed was van alcohol en mogelijk zelf geschrokken was van de aanrijding en bang was voor de gevolgen ervan, kan ook een verklaring zijn voor zijn gedrag. Zo verklaarde een getuige dat de beklaagde niet in een normale staat leek, moeite had om zich recht te houden en sterk wankelde. Ook de politie stelde vast dat de beklaagde duidelijk onder invloed was, wat ook bevestigd werd door de resultaten van de alcoholtest.
Conclusie
Gelet op de twijfel over het opzettelijk karakter van de aanrijding en het oogmerk om te doden, kan de rechtbank de feiten niet bewezen verklaren onder de kwalificatie van ‘poging tot doodslag’.
Herkwalificatie tenlastelegging naar onopzettelijke slagen en verwondingen
De rechtbank heeft de feiten als volgt geherkwalificeerd: “Door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, onopzettelijk slagen of verwondingen te hebben toegebracht, met de omstandigheid dat de slagen of verwondingen het gevolg zijn van een verkeersongeval.”
Strafmaat
De rechtbank veroordeelde de beklaagde tot een hoofdgevangenisstraf van acht maanden, met uitstel voor een termijn van vijf jaar (met uitzondering van de ondergane voorhechtenis) en een geldboete van 400 euro.
Motivering rechtbank
Bij het bepalen van de strafmaat hield de rechtbank onder meer rekening met volgende elementen:
- De ernst van de feiten en de omstandigheden waarin deze werden gepleegd. De beklaagde reed onder invloed en op roekeloze wijze zijn partner en haar vijfjarig zoontje aan. Beiden raakten hierdoor ernstig gewond. De aanrijding had perfect vermeden kunnen worden als de beklaagde zich had gedragen zoals het hoort.
-
De afwezigheid in hoofde van de beklaagde van eerbied voor sociale, morele en economische waarden, andermans fysieke integriteit in het bijzonder, en het berokkende nadeel aan de individuele slachtoffers en aan de maatschappij.
-
Het blanco strafverleden van de beklaagde, en zijn ondergane voorhechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht van 9 september 2025 tot 21 oktober 2025.
De uitgedrukte spijt van de beklaagde, welke op de zitting oprecht overkwam.
- De huidige sociale, familiale en professionele situatie van de beklaagde die ook nog altijd een relatie heeft met zijn partner.